![]() |
Wat betreft de effecten op risicomerkers voor hart- en vaatziekten zijn er slechts geringe verschillen tussen voedingen met 7 energieprocent stearinezuur, oliezuur of linolzuur. In de aanbevelingen zou het onderscheid tussen de individuele verzadigde en onverzadigde voedingsvetzuren genuanceerd moeten worden. Dat is de belangrijkste conclusie uit het promotie-onderzoek van Myriam Thijssen (Universiteit Maastricht).
'Verzadigde voedingsvetzuren hebben over het algemeen een ongunstiger effect op het risico op hart- en vaatziekten. Stearinezuur lijkt een uitzondering te zijn op de overige verzadigde vetzuren in de voeding. Ons onderzoek levert goede aanwijzingen dat stearinezuur minder ongunstig afsteekt bij onverzadigde vetzuren, zoals oliezuur of linolzuur dan andere verzadigde vetzuren. Stearinezuur in de voeding verdient in ieder geval de voorkeur boven andere verzadigde vetzuren zoals palmitinezuur en myristinezuur. Stearinezuur heeft ook gunstigere cardiovasculaire effecten dan trans vetzuren uit gehydrogeneerde vetten of oliën. Stearinezuur maakt ongeveer een vierde deel uit van alle verzadigde vetzuren in de Nederlandse voeding.'
Dat zegt klinisch chemicus in opleiding Myriam (dr. M.A.M.A.) Thijssen, die eerder deze maand promoveerde aan de Universiteit Maastricht. De titel van haar proefschrift luidt 'Dietary C18 fatty acids: effects on cardiovascular risk markers and fatty acid metabolism.' Thijssen heeft haar promotie-onderzoek uitgevoerd bij de vakgroep Humane Biologie. Haar promotor was prof. Ronald Mensink.
In het proefschrift beschrijft Thijssen in drie hoofdstukken de effecten van verschillende C18-voedingsvetzuren op verscheidene risicomerkers voor hart- en vaatziekten: het lipoproteïnenprofiel, de tromboseneiging, en de lipidenperoxidatie en ontstekingsmerkers. Het proefschrift bevat ook een hoofdstuk over de effecten van CLA-isomeren op het vetzuurmetabolisme. De C18-vetzuren waarvan Thijssen de effecten onderzocht heeft, zijn het verzadigde stearinezuur (C18:0), het enkelvoudig onverzadigde oliezuur (C18:1), het meervoudig onverzadigde linolzuur (C18:2), en twee CLA-isomeren: cis-9,trans-11 CLA en trans-10,cis-12 CLA. Figuur 1 toont de structuur van deze vijf vetzuren.
Figuur 1. Chemische structuur van vijf C18-vetzuren.

Hoofdstukken van het proefschrift zijn ook als afzonderlijke artikelen gepubliceerd of ingezonden ter publicatie in hoog aangeschreven tijdschriften (1-4). Ze worden in het proefschrift voorafgegaan door een inleidend hoofdstuk dat is gepubliceerd in een handboek (5).
Thijssen en Mensink voerden een studie uit waaraan werd deelgenomen door 45 mensen met een licht-verhoogd cholesterolgehalte, tussen 5 en 8 mmol/l. De reden voor deze keus was dat in deze groep naar verwachting relatief veel mensen voorkomen die wat betreft hun cardiovasculaire risico zouden kunnen profiteren van een aanpassing van hun voeding. De studie had een gerandomiseerde cross-over opzet, en duurde drie achtereenvolgende periodes van vijf weken. Elke deelnemer gebruikte tijdens elke periode één van drie voedingen met een vetgehalte van 37 energieprocent. De voedingen hadden een gelijke samenstelling met uitzondering van 7 energieprocent die werd geleverd door één van de drie vetzuren, stearinezuur, oliezuur of linolzuur. Na elke interventieperiode van vijf weken volgde een wash-out periode van tenminste één week.
De experimentele vetten werden geproduceerd bij NIZO Food Research in Ede. De vetten werden geleverd in de vorm van margarines. Deze margarines werden verwerkt in brood en cakes. De deelnemers kregen elke week margarine, brood en cake verstrekt. Aan de hand van leeftijd, geslacht, lengte en lichaamsgewicht werd de energiebehoefte van de deelnemers berekend. De voedingen werden verstrekt in hoeveelheden die de deelnemers op hun oorspronkelijke gewicht hield, uiteenlopend van 6 tot 13,5 MJ per dag. Zestig procent daarvan werd geleverd door de verstrekte producten; de overige veertig procent konden de deelnemers naar eigen keus invullen uit een lijst met vrije-keuze vetbevattende producten.
Aan het einde van elke vijfweekse interventieperiode werd bloed afgenomen. Tabel 1 laat zien dat er slechts kleine verschillen waren in de effecten van de drie voedingen op de serumgehalten van totaal-cholesterol, LDL-cholesterol, HDL-cholesterol, triglyceriden, apolipoproteïnen A-I en B, en de verhouding totaal-/HDL-cholesterol (1). Deze uitkomsten zijn in overeenstemming met de uitkomsten van studies waarin de effecten van stearinezuur en oliezuur vergeleken zijn, en ook met die van studies waarin effecten van oliezuur en linolzuur vergeleken zijn. Thijssen benadrukt dat de voedingsvetgehalten in de Maastrichtse studie realistisch zijn: 'In de Verenigde Staten is een studie uitgevoerd (6) waarin vervanging van stearinezuur of oliezuur in de voeding door linolzuur leidde tot afname van het totaal-cholesterolgehalte, maar in die studie werden veel grotere hoeveelheden vetzuren uitgewisseld. Onze uitkomsten zijn ook in goede overeenstemming met de resultaten van een meta-analyse uit 2003 (7).'
Thijssen en Mensink hebben ook de effecten onderzocht van de drie voedingen op de deeltjesgrootte en subklasseconcentraties van VLDL-, LDL- en HDL-deeltjes. Zowel de concentraties van small dense LDL als die van small dense HDL-deeltjes is positief geassocieerd met het cardiovasculair risico. Er waren echter op dit punt geen belangrijke verschillen tussen de voedingen. 'De verschillen in de effecten van stearinezuur, oliezuur en linolzuur op het serum lipoproteïnenprofiel zijn klein', zo concludeert Thijssen in de eerste stelling bij het proefschrift.
De tweede cardiovasculair risicomerker die Thijssen heeft bestudeerd is de tromboseneiging (2). In de bloedmonsters van de deelnemers aan de bovenbeschreven studie bepaalde ze de bloedplaatjesaggregatieneiging (ex vivo en in vitro) en coagulatie-, fibrinolyse- en hematologische variabelen. De ex vivo bloedplaatjesaggregatie neiging kan worden bepaald met behulp van de filtragometer techniek. Hierbij wordt het bloed door een filter geleid, zodat de tijd waarin een bepaalde mate van verstopping van het filter bereikt wordt aangeeft hoe sterk de bloedplaatjes aggregeren. De in vitro plaatjesaggregatie wordt gemeten door het volgen van aggregatiecurves na toevoegen van collageen of ADP aan een bloedmonster.
Met betrekking tot de tromboseneiging hebben eerdere studies gesuggereerd dat stearinezuur prothrombotische effecten heeft. Thijssen vond alleen bij de mannelijke deelnemers een verminderde ex vivo plaatjesaggregatie na de linolzuurrijke voeding ten opzichte van de stearinezuurrijke voeding (2). Aan de andere kant bleek bij zowel mannen als vrouwen de stearinezuurvoeding te leiden tot een lager plaatjesvolume dan de beide andere voedingen. Grotere bloedplaatjes zijn geassocieerd met een hoger risico op hart- en vaatziekten. Er waren geen verschillen tussen de voedingen in effecten op factoren betrokken bij de stolling en fibrinolyse: factor VII activiteit, protrombine fragment 1 en 2 en fibrinogeen concentraties en PAI-activiteit. Thijssen concludeert dan ook in haar tweede stelling dat stearinezuur niet meer trombogeen is dan oliezuur of linolzuur.
Effecten van de voedingen op de lipidenperoxidatie (3) bepaalde Thijssen door de uitscheiding in de urine te meten van 8-iso-prostaglandine F2α en 15-keto-dihydro-prostaglandine F2α te meten. Ze zag geen verschillen tussen de drie voedingen in effecten op de 24-uursuitscheiding van deze biomerkers voor respectievelijk niet-enzymatische en enzymatische lipidenperoxidatie. De derde stelling bij het proefschrift luidt: 'De effecten van stearinezuur, oliezuur en linolzuur gemeten op de excretie van F2-isoprostanen in de urine als in vivo biomerker voor lipidenperoxidatie zijn vergelijkbaar.' Als risicomerker van ontsteking bepaalde Thijssen het plasmagehalte van het C-reactieve proteïne. Ook in de effecten op deze merker waren er geen verschillen tussen de drie voedingen.
In het laatste experimentele hoofdstuk van het proefschrift (4) beschrijft Thijssen een studie naar effecten van twee CLA-isomeren op aspecten van het vetzuurmetabolisme. Aan deze studie werd deelgenomen door 25 gezonde mannen en vrouwen met overgewicht. De deelnemers consumeerden tijdens een 6 weken durende run-in periode een voeding waaraan een zuivelproduct was toegevoegd dat per dag 3 g oliezuurrijke olie bevatte. Vervolgens werden de deelnemers gerandomiseerd over drie groepen voor de interventieperiode met een duur van 18 weken. De eerste groep bleef de placebo voeding gebruiken. In de voeding van de tweede groep werd het oliezuur-bevattende product vervangen door een product dat per dag 3 g rumenzuur leverde. Dit is cis-9, trans-11 CLA en komt van nature vooral voor in melk en vlees van herkauwers. In de voeding van de derde groep werd het oliezuur-bevattende product vervangen door een product dat per dag 3 g trans-10, cis-12 CLA leverde. Deze CLA-isomeer komt niet voor in voedingsmiddelen.
De CLA-isomeren werden beide ingebouwd in de plasma lipidenklassen: fosfolipiden, cholesteryl esters en triglyceriden. Voor rumenzuur bedroeg de toename in de fosfolipiden 0,26% voor elke gram die werd ingenomen. Voor trans-10, cis-12 CLA bedroeg de overeenkomstige toename 0,20%. De CLA-isomeren werden ook gemetaboliseerd tot geconjugeerd C18:3 en C20:3. In de groep die trans-10,cis-12 CLA kreeg steeg het gehalte van geconjugeerd C18:3 in de triglyceriden in het plasma. In de groep die rumenzuur kreeg nam het gehalte van zowel geconjugeerd C18:3 als ook van geconjugeerd C20:3 in de triglyceriden in het plasma toe.
In vergelijking met rumenzuur leidde trans-10, cis-12 CLA tot een lagere oliezuur(C18:1)/stearinezuur(C18:0)-verhouding in de fosfolipiden. Dit is een aanwijzing voor een verminderde D9 desaturase-activiteit. Beide CLA isomeren verlaagden de D6 desaturase index, die werd berekend uit de ratio van g-linoleenzuur(C18:3n-6) en di-homo-g-linoleenzuur (C20:3n-6) ten opzichte van linolzuur (C18:2n-6). Er werden echter geen verschillen gevonden tussen de drie groepen in de mRNA-expressie van desaturase-enzymen in de perifere bloed mononucleaire cellen (PBMCs). De verschillen in de effecten van beide CLA-isomeren zijn dus niet te wijten aan regulatie op transcriptieniveau, althans niet in de PBMCs. Hoe deze verschillen wel verklaard moeten worden blijft vooralsnog onduidelijk.
Voedingsaanbevelingen om het risico op hart- en vaatziekten te verlagen zijn in het verleden voornamelijk gericht geweest op vermindering van de vetinname, aldus Thijssen. Meer recent is het accent komen te liggen op vervanging van ongezonde vetzuren in de voeding door vetzuren met een gunstig effect op het lipoproteïnenprofiel, de tromboseneiging, lipidenperoxidatie en ontsteking. Tot voor kort werd gedacht dat verzadigde vetzuren en trans vetzuren in deze tweedeling tot de nadeligevetzuren behoren, terwijl enkelvoudig en meervoudig onverzadigde vetzuren gunstige effecten hebben. Deze overtuiging is onder meer verwoord in de aanbeveling: 'Wees matig met vet, met name met verzadigd vet.'
Deze aanbeveling lijkt niet voldoende genuanceerd te zijn. Uit een meta-analyse van 60 gecontroleerde studies (7) was reeds bekend dat het verzadigde voedingsvetzuur laurinezuur leidt tot een aanzienlijke verlaging van de verhouding tussen totaal- en HDL-cholesterol, een geaccepteerde risicomerker voor hart-en vaatziekten(figuur 2). Na het promotie-onderzoek van Thijssen dient mogelijk ook het oordeel over het verzadigde stearinezuur genuanceerd te worden. De effecten van stearinezuur op het cardiovasculaire risico lijken niet minder gunstig te zijn dan die van oliezuur en linolzuur. Deze conclusie is des te meer overtuigend omdat de voedingen van de deelnemers in de studie van Thijssen realistische vetzuurgehalten bevatten.
Figuur 2. Isoënergetische vervanging van 1 energieprocent koolhydraat in de voeding door verzadigde vetzuren. Effecten van de afzonderlijke verzadigde vetzuren op de serumgehalten van totaal-, LDL-, en HDL-cholesterol en triglyceriden; en op de verhouding totaal-/HDL-cholesterol (een geaccepteerde cardiovasculaire risicofactor), wanneer 1% van de koolhydraten in de voeding iso-energetisch wordt vervangen.

Jan Blom
1. M.A.M.A.Thijssen, R.P.Mensink (2005) Small differences in the effects of stearic acid, oleic acid, and linoleic acid on the serum lipoprotein profile of humans. Am.J.Clin.Nutr. 82,510-516
2. M.A.M.A.Thijssen, G.Hornstra, R.P.Mensink (2005) Stearic, oleic and linoleic acids have comparable effects on markers of thrombotic tendency in healthy human subjects. J.Nutr. 135,2805-2811
3. M.A.M.A.Thijssen, S.Basu, R.P.Mensink. Effects of stearic, oleic, amd linoleic acids on biomarkers of lipid peroxidation and inflammation in healthy human subjects. Ingezonden ter publicatie.
4. M.A.M.A.Thijssen, C.Malpuech-Brugère, S.Gregoire et al (2005) Effects of specific CLA isomers on plasma fatty acid profile and expression of desaturases in humans. Lipids 40,137-145
5. M.A.M.A.Thijssen, R.P.Mensink (2005) Fatty acids and atherosclerotic risk. Pag. 165-194 in Handbook of Experimental Pharmacology 170. Atherosclerosis: Diet and Drugs. Red.:A. von Eckardstein, Springer Verlag
6. P.M.Kris-Etherton, J.Derr, P.C.Mitchell et al (1993) The role of fatty acid saturation on plasma lipids, lipoproteins, and apolipoproteins: I. Effects of whole food diets high in cocoa butter, olive oil, soybean oil, dairy butter, and milk chocolate on the plasma lipids of young men. Metabolism 42,121-129
7. R.P.Mensink, P.L.Zock, A.D.Kester, M.B.Katan (2003) Effects of dietary fatty acids and carbohydrates on the ratio of serum total to HDL cholesterol and on serum lipids and apolipoproteins: a meta-analysis of 60 controlled trials. Am.J.Clin.Nutr. 77,1146-1155